De Boxer

 

De standaard van een ras is een omschrijving van het meest volmaakte exemplaar van dat ras.

 

Karaktereigenschappen.

 

Het karakter van een boxer is van het allergrootste belang en vraagt de meest zorgvuldige aandacht. Van meet af aan is de boxer vermaard om zijn grote liefde voor en trouw aan zijn meester en diens gezin,zijn waakzaamheid en zijn onbevreesdheid en moed als verdediger en beschermer. De boxer is volgzaam maar wantrouwt vreemden. Hij is levendig en vriendelijk als je met hem speelt, maar dapper en vastberaden wanneer hij kwaad is. Zijn intelligentie en zijn bereidheid om te leren, zijn bescheidenheid en reinheid maken hem tot een zeer gewenste gezinshond en opgewekte kameraad. Hij is nooit vals of gemeen, zelfs niet wanneer hij oud is.

 

Algemeen voorkomen.

 

De boxer is een hond van middelbare grootte, fors, gladharig, kort en vierkant gebouwd met sterke ledematen. De spieren zijn goed en krachtig ontwikkeld en moeten zich onder de huid duidelijk aftekenen. De bewegingen van de boxer moeten energie uitstralen.Hoewel zijn gang stevig is, is die toch soepel.

Zijn loop is ongedwongen en wild: zijn houding trots en edel. Als werk en waakhond moet hij in hoge mate sierlijkheid combineren met stevigheid en kracht, wat van wezenlijk belang is voor het vervullen van zijn plichten; zoals uithoudingsvermogen als hij naast de fiets loopt: of als geweldige sprinter. Slechts een lichaam waarvan de afzonderlijke ledematen zo gebouwd zijn dat ze de meest mechanische inspanningen kunnen verdragen, en zo op elkaar ingesteld dat alles een harmonisch geheel vormt, kan aan dergelijke eisen voldoen. Om dit alles te kunnen mag een boxer nooit te dik of zwaar zijn.

Hoewel hij zo gebouwd is dat hij een hoge snelheid kan halen, mag hij toch geen slanke renhond zijn. Wanneer men de boxer beoordeeld moet men allereerst zijn uiterlijk bekijken. De relatie stevigheid en sierlijkheid en de gewenste verhoudingen tussen de afzonderlijke lichaamsdelen ten opzicht van elkaar. Men moet ook aandacht schenken aan de kleur, hierna moet men de afzonderlijke lichaamsdelen op hun juiste bouw en functie onderzoeken.

Speciale aandacht moet men aan het hoofd schenken.

 

Het hoofd en de schedel.

 

Het hoofd geeft aan de boxer een uniek persoonlijk kenmerk dat eigen is aan het ras. Het moet in volmaakte verhouding staan tot zijn lichaam; bovenal mag het hoofd nooit te licht zijn. De snuit is het meest kenmerkende . Men moet de grootste waarde er aan hechten dat de snuit de juiste vorm heeft en in volmaakte houding staat tot de schedel. De schoonheid van het hoofd hangt af van de harmonische verhouding tussen de snuit en schedel. Vanuit welke hoek men het hoofd ook bekijkt, de snuit moet altijd de juiste verhouding tot de schedel hebben. Dit betekent dat het hoofd nooit de indruk mag maken te klein of te groot te zijn.

De lengte van de snuit ten opzichte van het gehele hoofd moet 1 op 3 zijn.

Het hoofd mag geen diepe rimpels vertonen.

Wanneer de hond op zijn hoede is, ziet men rimpels op de schedel. De lippen beginnen altijd onderaan de neus en lopen dan aan weerszijden van de snuit naar beneden. Het zwarte masker beperkt zich tot de snuit. Het moet duidelijk in tegenstelling staan tot de kleur van het hoofd, zodat het gezicht geen sombere uitdrukking heeft . De snuit moet in de lengte, breedte en diepte krachtig ontwikkeld zijn. Hij mag niet spits, smal of plat zijn. Zijn vorm wordt beïnvloed door de beide kaakbenen, de plaats van de tanden in het kaakbeen en de vorm van de lippen. Het bovenste gedeelte van de schedel moet enigszins gebogen zijn.De twee kaakbenen moeten van voren niet loodrecht op elkaar staan maar de onderkaak moet voor de bovenkaak uitsteken. De boxer is normaal gesproken een onder voorbijter.

De tanden van de onderkaak mogen bij gesloten mond niet zichtbaar zijn, evenmin mag de boxer zijn tong tonen.

 

Het lichaam.

 

Het lichaam van de boxer is kwadratisch of ook wel vierkant. De ledematen zijn stevig en recht met krachtige botten. De borst is diep, tot aan de ellebogen reikend. De borstdiepte is ongeveer de helft van de gehele hoogte van de hond.

De buikbelijning reikt in een elegante boog naar achteren.

De schouder is lang en schuin, goed gesloten aanliggend, niet te sterk gespierd. De opperarm is lang en vormt met het schouderblad een rechte hoek. De beide voorbenen moeten recht en evenwijdig zijn en sterke, stevig aan elkaar verbonden knoken hebben.

De onderarm is loodrecht, lang en stevig gespierd. De voeten klein, met gesloten, gebogen tenen en harde zolen.

De rug moet kort, recht, breed en sterk gespierd zijn.

De achterhand is sterk gespierd, de bespiering keihard en plastisch onder de huid zichtbaar. De kroep moet licht gebogen zijn, een brede staartaanzet, eerder hoog dan t e laag.

Het bekken moet lang en vooral bij teven breed zijn. De hoek van het spronggewricht

moet 140 graden zijn. De kleinste stokmaat voor reuen is 57 cm. en de grootste 63 cm. Voor teven resp. 53 en 59 cm.